duurzaam stedelijk water vormgegeven
Bij het ontwerpen van een waterplan is het van wezenlijk belang dat er rekening wordt gehouden met de grondsoort. De eigenschappen van de verschillende grondsoorten kunnen ervoor zorgen dat bepaalde systemen niet geschikt zijn. Zo laat droge zandgrond makkelijk water door en is daarmee geschikt voor infiltratie. De dichte natte kleigrond is doordat het slecht vocht doorlaat eigenlijk alleen geschikt voor bovengrondse afvoer en opslag.
De verdeling van de korrelgrootte is een van de belangrijkste kenmerken van de grond. De belangrijkste bodemsoorten zijn grind, veen, zand, klei en leem. Grind is het meest doorlatend en leem het minst. De meeste bodems bestaan uit een mengsel van deze grondsoorten.
Over het algemeen geldt hoe groter de korrelgrootte, des te meer water wordt doorgelaten en dus minder water vastgehouden. Dit houdt in dat klei weinig water doorlaat en ook boven het grondwaterpeil water vasthoudt, terwijl grind en zand makkelijk water doorlaten en deze grond boven het grondwaterpeil droog is. Dit samen met het grondwaterpeil heeft consequenties voor het toe te passen watersysteem in het stedenbouwkundig plan.
Onder het eerste deel van het bodemprofiel bevindt zich de grondwaterspiegel. In westelijk Nederland liggen vooral de Iagere kleigronden met een hoge grondwaterspiegel, in het oosten liggen de hogere zandgronden met een lagere grondwaterspiegel.
een project van opMAAT architectuur, stedenbouw, onderzoek en advies ~ www.opmaat.info ~ water@opmaat.info